Nieuws

Kamervragen Vaksectorindeling

17-07-2017

Op 24 mei 2017 hebben wij u in een nieuwsbericht geïnformeerd over de bevriezing van de regeling over vaksectorindeling. Over deze regeling zijn Kamervragen gesteld door de leden Omtzigt en Heerma (beiden CDA). Op 10 juli 2017 heeft demissionair minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) antwoord gegeven op deze Kamervragen over de indeling van uitzendbureaus en andere organisaties bij de sectorcodes sociale zekerheid.

Hieronder volgt een kort overzicht van de relevante punten uit de antwoorden van de minister:

  1. Uitzendbedrijven die zijn ingedeeld in een vaksector blijven door de wijziging van de regeling vooralsnog de premie van die sector betalen in plaats van de hogere premies die gelden in de uitzendsector. Het gaat hier om de premie voor werkloosheid voor de sectorfondsen, voor kleine bedrijven die publiek verzekerd zijn voor ziekte en arbeidsongeschiktheid en de premie voor de Werkhervattingskas. Omdat het hier de bekostiging van het eerste half jaar aan WW-uitkeringen betreft, worden deze premies in principe kostendekkend vastgesteld. Het verschil tussen de premie geldend in de vaksector en de premie geldend in de uitzendsector is afhankelijk van de premie per sector. In de onderstaande tabel worden de premies van de vaksectoren waar de meeste uitzendbedrijven actief zijn weergegeven, evenals het verschil met de premie in de uitzendsector. Omdat binnen de uitzendsector de premies verder worden gedifferentieerd, zijn hier de relevante premies voor uitzendkrachten zonder uitzendbeding opgenomen.

NBBU: “discutabel wie er als vervuiler moet worden aangemerkt”

Dit premievoordeel heeft er mede voor gezorgd dat meer dan 50% van de uitzendarbeid nu is ingedeeld buiten de uitzendsector. Minister Asscher vindt dit een zorgelijke ontwikkeling die afbreuk doet aan het leidende principe van de sectorpremies: de vervuiler betaalt. Wie er als vervuiler moet worden aangemerkt vindt de NBBU discutabel. Flex ontstaat namelijk bij de behoefte van inlenende bedrijven. Het is de vaksector die uitzendkrachten inleent en vervolgens de inlening ook weer beëindigt. Uitzendondernemingen spelen slechts bij uitzondering een bepalende rol bij de beëindiging van de uitzendovereenkomst. Zowel de vaksector alsmede de uitzendondernemingen spelen daardoor beiden hun rol in de vraag wie als de veroorzaker aangemerkt dient te worden.

  1. Op basis van cijfers van UWV en de Belastingdienst bleek dat inmiddels meer dan 50% van geregistreerde uitzendarbeid plaatsvindt buiten de uitzendsector. Deze trend zorgt volgens de minister voor een oneigenlijk premievoordeel voor uitzendbedrijven die zijn ingedeeld in de vaksector en een premiestijging voor de overige werkgevers in de vaksectoren. Het faciliteren van deze trend door de overheid vindt hij ongewenst en heeft daarom besloten om met onderhavige regeling de huidige situatie bevriezen.

NBBU: “Er wordt voorbijgegaan aan de meerwaarde van de branche.”

De NBBU vindt dat gespecialiseerde uitzendbureaus die op dit moment in een andere sector zijn ingedeeld, voor de premieheffing vergelijkbaar zijn met de andere werkgevers in desbetreffende vaksector en daarom niet anders behandeld dienen te worden. Er wordt overigens helemaal voorbijgegaan aan de meerwaarde van de branche, alleen al bij de uitstroom vanuit de WW naar de arbeidsmarkt. Volgens cijfers van het UWV stroomt namelijk 34% van de WWâ??ers via een uitzendbureau weer terug naar de arbeidsmarkt.

 

In de Kamervragen kwam ook het oneerlijke verschil tussen uitzendbureaus voor wat betreft de sectorindeling aan de orde, dat is ontstaan in verband met de abrupte invoer van de bevriezing van de vaksector.

Bekijk het volledige overzicht van de Kamervragen

© Bureau Kooimeer